CARLA
Die dijk lag hiero, een opgeworpen zandhoop: de dijk. Het was de speelplaats voor de kinderen. ‘s Winters ging je met je slee ervan af, jongens en meiden lagen er ‘s avonds laat bepaalde dingen uit te spoken. Een dijk van gras en aarde. Wij maakten zelf ons speelgoed. Van een zakdoek met vier draadjes en een ander zakje met een steentje erin maakte je een parachuutje en daar speelde je uren mee. Onder aan de dijk ligt het Meeuwenplein. Ik ben een keer van de dijk gevallen. Toen had ik echt zo’n knol op mn knie. Een oude dame heeft daar toen een pleister op geplakt en een hartesnoepje op gelegd. Zoals een moeder dat doet. Dat vergeet je nooit meer.
In 1984 kom ik hier op het Meeuwenplein terug om een woning te bekijken. Ik was te vroeg voor de opzichter, dus ik ga op dat bankje zitten. Komt er een, nou dat was toen écht een oude dame, ik zweer ‘t je, komt naar me toe en ze zegt: jij hebt hier vroeger gespeeld. Ik zeg: ja dat kan ja. Dus zij komt naast me zitten en ze weet me precies te vertellen van dat gat in mijn knie. Het gezicht van die vrouw dat kon ik niet, maar die lieve oude dame en dat ze dat hartje op mijn knie had gelegd dat had ik nooit vergeten. En dat was zo frappant, het was net alsof ik thuiskwam op dat moment. Ik heb een paniekstoornis waardoor ik soms helemaal stijf word van angst, en dat viel helemaal weg op dat moment. Dat is heel vreemd om uit te leggen, het is net of je thuiskomt. Ik ben thuis. Hier hoor ik.
Tussen mijn 19e en 24e heb ik alle windstreken van Amsterdam gezien. Ik ben twaalf keer verhuisd. Ik heb overal gezeten: in de Bijlmer, het Centrum, Zuid, ik kon nergens aarden.
Ik was gewoon thuis. Dat is een gevoel wat je niet kan beschrijven.
Ik ben een geboren en getogen Noorderling. Mijn wieg stond op de Papaverweg, aan het pierhoofd, naast de vuilverbranding. Mijn vader was schipper bij de stadsreiniging. Hij werkte op sleepboot 1 en sleepboot 2. Hij voer door de stad om vuil op te halen en dat werd dan in Noord gestort. Hij kwam thuis met de meest vreemde dingen uit de bakken. Een fiets, singles uit een jukebox, je kunt ‘t zo gek niet bedenken of bij ons kwam ‘t uit de bak. Aan de ene kant vond ik ‘t vervelend. Dat had meer te maken met het idee wat een ander over je had. Het was nog meer dan tweedehands, want je had het uit de vuilnis.
Wij waren zo arm, we aten maar één keer per week vlees. Soms hadden we niets op het brood, dan aten we droog brood met suiker. Je weet dat je iets mist als de buren kleren komen brengen.
Ik merk vandaag de dag nog heel sterk bij m’n eigen: ergens heb ik de tendency om te willen hebben. Als ik iets zie, dat ik ‘t wil hebben, terwijl ik weet dat ik het me niet kan veroorloven, maar dat ik het toch doe. Het heeft meer te maken met wat eigenlijk onbereikbaar is, waar je vroeger echt het geld niet voor had en waar je nu iets voor opzegt.
Dat zeg ik ook wel eens tegen mijn moeder. Wat mij het meest bijstaat van vroeger wat liefde en armoede betreft is: zondagmiddag om drie uur, in plaats van lunch, beschuit met kaas en een kopje soep. En het is de soep en de kaas die dat weer speciaal maken en die dan weer daar een bepaald gevoel bij geven. Dat heeft iets te maken voor mij met liefde.
De zondag nadat mijn zus haar eerste salaris kreeg weet ik nog goed. We kregen vers wit brood met roomboter , ei en ham. Dat was een feestmaaltijd. Tot mijn vaders dood in 2001 aten mijn vader en moeder dat nog elke week. Ei met een plak ham. De eerste keer vergeet je nooit meer en het is nog steeds iets lekkers voor mij. Ik kan er nog steeds van genieten. Later toen mijn broer ging werken kwam de mayonaise er ook bij, mochten we allemaal een klein dotje op zon stukje brood. Allemaal van die kleine dingen dat vergeet je nooit meer.
De hele maatschappij is nu ikke ikke ikke en de rest kan stikken. Vroeger was het: als we het samen doen staan we samen sterk en komen we een stuk verder dan als je het in je uppie doet. Ik ben geboren in een wij-tijdperk en ik heb best wel eens moeite met het ik-tijdperk. Ik kom uit een andere wereld. Vooral nu met de jeugd valt het me heel erg op. Dan denk ik: jemig, wat zijn die jongeren onbeschoft. Kinderen kun je niet achter het behang plakken, je kunt ze niet op een stoel vastbinden, maar je kunt ze wel opvoeden. Als ik vroeger op straat iets uitspookte, kreeg ik gewoon een knal van de buren. En zei ik dan ’s avonds tegen mijn moeder of vader: ze hebben me geslagen, dan kreeg ik van hun ook nog es een knal. Dat was normaal. Vroeger kon je niet stampvoetend in de winkel om een snoepje gaan zeuren. Dan kreeg je een knal van wie er ook om je heen stond. Je moet een kind vanaf het moment dat het geboren is discipline bijbrengen. Vroeger was er veel meer gezag. De politie liep rond met sabel en knuppel. Er woonde een agent bij ons in de Leeuwerikstraat, die was groot en droeg een grote snor. Bromsnor, Swiebertje, heerlijk.
De buurt is zo sterk veranderd. Je kunt het bijna niet geloven. Toen ik hier in 1984 weer kwam wonen waren er vier buitenlandse gezinnen. Ik woon hier nu al weer vierentwintig jaar en ik heb wel eens het gevoel dat ze, vooral aan de overkant, bij de Sijsjesstraat, alles bij elkaar zetten wat niet Nederlands is. Ik vind het jammer, je kunt het beter gemengd houden. Wat dat betreft ben ik blij dat ik aan deze kant woon, hier is het veel meer gemengd dan aan de overkant. Toen ik als kind in de Leeuwerikstraat woonde was de buurt nog helemaal blank. Mijn vader was de enige die een beetje donker was: donker door het buitenleven, door de verwering van de wind. Aan mijn broer vroegen ze een keer: zijn jullie halfbloeden? Dat was begin jaren ‘70.
Ik heb als kind nog meegemaakt dat het eerste donkere gezin in de buurt kwam wonen, nou dat was wat hoor, potjandorie, ik kwam op school en daar zat een donker meisje. Dus toen kwam ik thuis: mam er zit een meisje in m’n klas dat zich niet gewassen heeft!
Je mag alles mee naar huis nemen als het maar geen buitenlander is. Dat werd niet zozeer alleen door m’n moeder gezegd, maar dat gold in de hele buurt. Ieder hoorde bij zichzelf te blijven. Nou ik trouwde prompt met een Marokkaan.
Negen van de tien mensen die hier weg zijn gegaan, zijn verhuisd omdat er buitenlandse gezinnen zijn gekomen. Dat klinkt heel lullig, maar dat is wel de waarheid. Ze hadden zoiets van: het wordt te donker. Na de eerste renovatie in 1984 is een kwart van de mensen weggegaan. Na de tweede renovatie, twaalf jaar geleden, zijn er nog veel meer mensen weggebleven. Die hadden dan kans op een nieuwe woning, die verhuisden bijvoorbeeld naar het IJplein. Nu gaan de mensen weg vanwege de gehorigheid. Er is geen cohesie meer. Woningen staan leeg of worden onderverhuurd. Mensen komen hier wonen en twee maanden later zijn ze weer weg.
Sinds een jaar of tien, twaalf merk je dat de echte sjeu weg is uit de buurt. Ik houd nog steeds van mijn buurt, begrijp me niet verkeerd, maar ik heb nu ook momenten dat ik bij m’n eigen denk: o god geef me een andere woning. Als je kijkt in de zijstraten hier. Vroeger lag er nooit geen vuil, het was echt een schone, nette buurt. Als er kauwgom op de straat lag, was dat alleen bij de sigarenboer. Kijk om je heen: verwaarloosde tuinen. Het is gewoon achteruit gegaan in het algeheel. En dat is zo jammer. Want we liggen een beetje achteraf hiero, we liggen een beetje beschermd. We lágen moet ik zeggen, nu is het allemaal opengebroken in verband met de Noord-Zuidlijn. En ik mis het. Ik mis het heel sterk. Die saamhorigheid. Vroeger kon je iedereen, nu alleen maar een enkele.
